5.2.3: 1910 - heden - Relatie uitgever-auteur


In de twintigste eeuw werd de relatie tussen uitgever en auteur, in vergelijking met de daaraan voorafgaande periode zakelijker en formeler. Uit verschillende gepubliceerde briefwisselingen tussen auteur en uitgever (onder anderen G. Achterberg en zijn uitgevers, A.A.M. Stols en auteurs J. Greshoff en E. Hoornik, uitgever C.A.J van Dishoeck en Karel van de Woestijne) rijst in de eerste plaats het beeld op van de uitgever als broodheer. Geld was voor auteurs een hoogst belangrijke kwestie en onderhandelen was inmiddels geen schande meer. Schrijvers verenigden zich in 1905 in een vakbond, de Vereeniging voor Letterkundigen (VVL). Een van de actiepunten van de VVL werd al in 1912 bereikt: een nieuwe, betere auteurswet en aansluiting bij de Berner Conventie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er sprake van onalledaagse solidariteit tussen sommige schrijvers en uitgevers. Uit nazi-Duitsland gevluchte schrijvers vonden hier, zolang het kon, onderdak bij de exiluitgeverijen Querido Verlag, Allert de Lange en Boekenvrienden Solidariteit en door heel Nederland verschenen clandestiene en illegale drukwerken als een vorm van protest tegen de bezetters. Uitgeverij De Bezige Bij is in dit ideƫle circuit ontstaan. Uitgeverij Contact gaf literaire auteurs vertaalopdrachten om daarmee in hun onderhoud te kunnen voorzien.

De manier waarop auteurs gehonoreerd werden, varieerde nog sterk per uitgever, ook al was er door de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond (KNUB) in 1957 en door de VVL in 1959 voor de eigen achterban een procedure vastgelegd. In 1961 werd door KNUB en VVL gezamenlijk een Richtlijn opgesteld om tot deugdelijke afspraken tussen schrijver en uitgever te komen. Het zogeheten Standaardcontract (ook wel 'modelcontract') dat rond het jaar 2000 in gebruik is, dateert van 1973. Hierin legt de auteur zich vast de tekst te leveren, de uitgever verbindt zich de tekst daadwerkelijk uit te geven. Ook nevenrechten zoals filmrechten en vertalingen worden in het standaardcontract geregeld en vaak worden er afspraken gemaakt over promotieactiviteiten door de schrijver. Radio- of televisieoptredens, alsmede signeersessies en interviews zijn broodnodig wil een boek kopers trekken. Dat geldt voor in feite alle genres. In 1965 werd na het zogeheten Schrijversprotest het Fonds voor de Letteren ingesteld door het ministerie van CRM. Dit fonds vult schrijversinkomens aan. Ook voor vertalers zijn er subsidies van het Fonds. Toch bleek uit onderzoek in 1995 dat slechts 29% van de literaire schrijvers kon leven van de pen. Vooral dichters hadden het moeilijk. Met het schrijven van columns, recensies of andere bijdragen, en het geven van lezingen of voordrachten verdienden schrijvers wat bij. Voor auteurs van populaire fictie zoals A.C. Baantjer of Yvonne Keuls waren de verdiensten behoorlijk. Aan de verkoop van een schoolboek, woordenboek of kookboek werd meestal veel meer verdiend dan aan een literaire roman, alleen van zo'n genre schreef men niet jaarlijks een boek. Voor de uitgave van een wetenschappelijk werk was vrijwel altijd subsidie nodig, en de auteur hield er hoegenaamd niets aan over. In de loop van de twintigste eeuw nam het fenomeen 'uitgeverstrouw' toe en aan het eind van deze eeuw had elke schrijver van naam zijn vaste uitgeverij (en binnen die uitgeverij ook weer een vaste redacteur). De overstap naar een andere uitgever gold binnen de eigen gelederen als groot nieuws. Geruchtmakende kwesties speelden zich af tussen Carry van Bruggen en Nijgh & Van Ditmar, W.F. Hermans en G.A. van Oorschot, G. Reve en G.A. van Oorschot, Jan Wolkers en Meulenhoff, Jeroen Brouwers en De Arbeiderspers.


auteur: L. Kuitert
 
 


Relatie uitgever-auteur